Verslag van de vergadering van 27 oktober 2026 (2026/2027 nr. 06)
Status: ongecorrigeerd
Aanvang: 11.31 uur
Een verslag met de status "ongecorrigeerd" is niet voor citaten en er kan geen recht aan ontleend worden.
De heer Doornhof i (CDA):
Dank u, voorzitter. Laat ik met iets fundamenteels beginnen. Alle volken bezitten zelfbeschikkingsrecht. Uit hoofde van dit recht bepalen zij in alle vrijheid hun politieke status en streven zij vrijelijk een economische, sociale en culturele ontwikkeling na. Dit is bepaald in artikel 1 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. Ons land heeft deze vrijheid benut om een specifieke vorm van landsbestuur te kiezen: de democratische rechtsstaat. Je bent al snel geneigd om te denken dat dit allemaal zijn oorsprong vindt in de grondwetsbepalingen die in 1814 en 1848 het licht hebben gezien, maar onze fractievoorzitter wees ons op het Groot Privilege van Maria van Bourgondië uit 1777. Zelf kwam ik met het Plakkaat van Verlatinghe uit 1581. In dat laatste document staat dat het aan een vorst is om zijn onderdanen te beschermen tegen onrecht en geweld zoals een herder zijn kudde en dat de onderdanen niet geschapen zijn om onder tirannie te leven. De overheid moet heden ten dage alle zeilen bijzetten om burgers en bedrijven die genoemde bescherming te bieden.
Tijdens deze bijdrage bespreek ik in dit verband graag allereerst de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit en de internationale dimensie daarvan. Vervolgens ga ik in op de ernst van discriminatie.
De voorzitter:
Meneer Doornhof, onze griffier zegt dat Maria van Bourgondië in 1477 met het Groot Privilege kwam, zeg ik even voor de Handelingen.
De heer Doornhof (CDA):
Dat is een goede aanvulling.
De voorzitter:
Dan hebben we het over dezelfde Maria van Bourgondië. Gaat u verder.
De heer Doornhof (CDA):
Ten slotte bespreek ik de positie van de rechter en de eigen rol van de senaat.
We hebben in Nederland te maken met criminaliteit die, gewelddadig en nietsontziend als zij is, nauwelijks nog grenzen lijkt te kennen. Ik moet, net als een aantal collega's die ook advocaat zijn, meteen denken aan de moord op Derk Wiersum; voor je huis worden doodgeschoten, enkel omdat je je werk als advocaat van een kroongetuige doet. De gewelddadige dood van misdaadjournalist Peter R. de Vries kun je hierbij in één adem noemen, evenals de moord op de onschuldige broer van diezelfde kroongetuige. Uiteindelijk hangen al deze moorden samen met georganiseerde drugscriminaliteit. Hetzelfde geldt vaak voor zogenoemde vergismoorden en -explosies, gewoon in Nederlandse woonwijken. In Rotterdam vonden alleen al vorig jaar 168 explosies plaats. Ten slotte noem ik nog een medewerker van een gevangenis die door een ex-gedetineerde zonder pardon werd vermoord op een terras.
Voorzitter. In dit verband zegt de filosoof Ad Verbrugge in zijn boek De gezagscrisis dat de groei van de georganiseerde misdaad in ons land een vorm aanneemt die het politiegezag ondergraaft. Hij wijst erop dat de onderwereld in onze grenzeloze netwerksamenleving heeft kunnen groeien en daardoor zelf een heuse kapitaalmacht is geworden, die ook in de bovenwereld is doorgedrongen. Dit is hiermee in de ogen van Verbrugge een belangrijk onderdeel van de machtsleegte waarmee de overheid onder meer worstelt. Onze fractie ziet hier een wezenlijk probleem in het licht van het christendemocratische uitgangspunt van de publieke gerechtigheid. Hieruit volgt dat we juist geloofwaardig overheidsoptreden moeten hebben om te voorkomen dat burgers eigenrichting plegen of hun vertrouwen in en respect voor het recht verliezen.
Ik zou het ook graag hebben over de internationale dimensie. Verbrugge stelt dat de poreuze staat, met zijn open grenzen, zich moeilijk kan verweren tegen de machten die naar binnen dringen. Als ik dan teruggrijp op mijn inleiding: die machten hollen onze volkenrechtelijke keuze voor de democratische rechtsstaat uit. Het is nog maar kort geleden dat in Overasselt een grote groep gewapende mannen, voor een groot deel met een buitenlands paspoort, bij een woning verscheen, een beveiliger vermoordde en vervolgens zelfs raak schoot op toegesnelde politieagenten. Mijn fractie denkt ook aan de internationaal opererende netwerken die zich schuldig maken aan mensenhandel. In dit licht verdient de bewaking van onze grenzen verdere herwaardering.
Daarbij speelt bovendien dat de inrichting en het besturen van een rechtsstaat zich moeizaam laten verenigen met de aanwezigheid van een grote groep mensen die zich onrechtmatig binnen onze landsgrenzen bevindt. Onze fractie heeft er in dit verband kennis van genomen dat sinds deze maand de tijdelijke grenscontroles zijn beëindigd en zijn vervangen door een verruimde vorm van mobiel vreemdelingentoezicht. Volgens het kabinet kan de Koninklijke Marechaussee daarmee effectiever en gerichter controleren wie Nederland binnenkomt. Dat klinkt op zichzelf aantrekkelijk, maar hoe weet de regering dat dit nieuwe stelsel daadwerkelijk effectiever is? Bestaat er voldoende zicht op wie ons land binnenkomt en wie hier zonder verblijfsrecht aanwezig is?
Voorzitter. Uiteindelijk kunnen deze vragen niet los worden gezien van de bewaking van de Europese buitengrenzen. Het vrije verkeer binnen het Schengengebied veronderstelt immers dat de buitengrenzen daadwerkelijk worden bewaakt. Juist op dat punt stemmen de gebeurtenissen in de Spaanse enclave Ceuta deze zomer bepaald niet gerust. Deelt de regering de opvatting van de CDA-fractie dat een geloofwaardige grensbewaking niet alleen afhankelijk is van een stelsel van mobiel vreemdelingentoezicht door de Koninklijke Marechaussee, maar ook van de bereidheid en het vermogen van andere lidstaten om hun deel van de Europese buitengrens daadwerkelijk te bewaken?
De heer Hartog i (Volt):
Ik denk dat de heer Doornhof en de Voltfractie een fundamenteel verschil van mening hebben over het nut van binnengrenzen. Maar mijn vraag gaat over het volgende. Wij hebben het allemaal uitgezocht: door de grenscontroles op de binnengrenzen hebben we in Nederland 440 meer asielzoekers gekregen, omdat Duitsland en België er meer terugsturen dan Nederland. Dat hebben we vastgesteld in deze Kamer, dus in die zin is het goed dat ze zijn afgeschaft. Maar mijn vraag gaat over de rechtsstatelijkheid van die grenscontroles. Volgens het Schengenverdrag zouden die helemaal niet moeten kunnen en in ieder geval tijdelijk moeten zijn. Hoe kijkt de heer Doornhof tegen die rechtsstatelijkheid aan? Of wil hij uit het Schengenverdrag stappen?
De heer Doornhof (CDA):
Het is voor mij wat lastig om de gehele juridische discussie hier te voeren. Ik ben weliswaar juridisch onderlegd, maar op het punt van het vreemdelingenrecht kan ik niet zo alles opdissen. Wat wel vaststaat, is dat de regering ervoor heeft gekozen om juist niet aan de grens te controleren, maar om met het mobiele toezicht aan het werk te gaan. Dat is toegestaan op basis van de Vreemdelingenwet. U vraagt eigenlijk hoe zich dat verhoudt tot de Schengenregels. Misschien kunt u die vraag beter aan de regering stellen dan aan mij.
De heer Hartog (Volt):
Toch stel ik de vraag aan de heer Doornhof, want hij komt met een verhaal over interne grenscontroles, die dan effectief zouden zijn tegen mensenhandel. Het gaat mij niet om een juridische discussie, maar juist om een beleidsdebat. Als je internationaal afspreekt dat je een vrij verkeer van personen hebt binnen de Schengenzone, kun je de mogelijkheid toestaan om dit bij uitzondering tijdelijk op te schorten, bijvoorbeeld als er voetbalsupporters over de grens komen. Hoe kijkt de heer Doornhof dan naar de verdragsrechtelijke status van zo'n verdrag, als je dat maar even zo opzijzet in een beleidsdebat?
De heer Doornhof (CDA):
Ik weet niet of ik de heer Hartog goed begrijp, maar wat ik in mijn betoog deed, is het belang van het herwaarderen van grenzen naar voren brengen. Misschien gaat het daar meteen over als het gaat over het wezenlijke verschil van opvatting hierover. Dat is nou net het punt. Je kunt zeggen dat we Europese buitengrenzen hebben. Daarover heb ik een vraag gesteld aan de regering. Maar als je ervoor zorgt dat binnengrenzen ook weer een herwaardering krijgen en de marechaussee daadwerkelijk controleert wat mensen in ons land, Nederland, komen doen en of ze hier überhaupt mogen zijn, draagt dat natuurlijk bij aan de veiligheid van ons land. Dat heb ik betoogd. Daar staat tegenover dat een vrij verkeer van mensen en goederen in Europa, in de EU, an sich van groot belang is. Misschien vindt de Voltfractie dat belangrijker. Alleen, je moet dat belang afwegen tegen het voordeel dat je onze nationale veiligheid vergroot. Misschien maakt de CDA-fractie die weging anders.
De voorzitter:
Tot slot, de heer Hartog.
De heer Hartog (Volt):
Heel kort. Staat de CDA-fractie nog volledig en volmondig achter de Nederlandse deelname aan het Schengenverdrag?
De heer Doornhof (CDA):
Ja. We gaan het verdrag natuurlijk niet opzeggen. De heer Hartog bracht net de juridische discussie op over het verdrag, maar de marechaussee doet het op dit moment. Daar heb ik een vraag over gesteld. Mijn uitgangspositie is nu dat datgene wat de regering doet in overeenstemming is met het Schengenverdrag. Mocht dat niet zo zijn, dan moet je natuurlijk bekijken of het verdrag nog klopt bij de maatregelen die nodig zijn om onze nationale veiligheid te borgen. Dat is altijd de vraag. Daar zal ik straks nog wat over zeggen.
De heer Nicolaï i (PvdD):
Ik ga even terug naar het begin van het betoog van de heer Doornhof, over de internationale criminaliteit die eigenlijk drugsgerelateerd is. Dat heb ik goed begrepen. Ik ben zelf advocaat. Ik woon om de hoek van waar de moord plaatsvond op Wiersum. Dus ik weet wat daar speelt. Maar er komt een heel betoog over en vervolgens gaat de heer Doornhof direct over op grensbewaking en vreemdelingenrecht. Wil de heer Doornhof nou beweren dat de drugsproblematiek internationaal is opgelost als die grenzen potdicht zouden zijn, of dat nou de binnengrenzen of de buitengrenzen zijn? Dat hoop ik toch niet. Het klonk wel alsof die illegaal binnenkomende vreemdelingen iets met die drugscriminaliteit en de internationale drugshandel te maken hebben. Dat is vraag één. Het tweede is: waarom kijkt het CDA niet een keer naar de werkelijke oorzaken van de drugscriminaliteit, namelijk dat drugs illegaal zijn? Waarom luistert het CDA niet naar de politie, mensen die zeggen: the war on drugs is lost? Wordt het niet eens tijd om daarover na te denken? Graag een reactie.
De heer Doornhof (CDA):
Ik moet dat wat kort zien te doen, voorzitter, begrijp ik als u me zo aankijkt. Laat ik het toch wat langer maken. Ik moet collega Nicolaï in de eerste plaats ermee complimenteren dat hij juist vandaag, wanneer we praten over de rechtsstaat, het boekje draagt dat we kregen bij 80 jaar vrijheid Staten-Generaal, met daarin onze grondrechten.
In de tweede plaats, om meer aan de vraag van de heer Nicolaï toe te komen: ik heb geprobeerd een onderscheid te maken in mijn betoog. Ik dacht dat ik dat ook behoorlijk had benadrukt, dus dat ik een soort nationale probleemstelling had gepresenteerd en de internationale dimensie van criminaliteit had benadrukt. Mijn brug was eigenlijk het voorbeeld van Overasselt, niet zozeer de moord op onze oud-collega, zeg ik even direct tegen collega Nicolaï. In dat licht moet ik zeggen dat ik nu heel veel bemoedigende dingen heb gezien in de begroting van Justitie en überhaupt in het coalitieakkoord, met name de investering in de politie. De politie verdient heel veel waardering — dat staat ook met zo veel woorden in het coalitieakkoord — maar heeft ook te maken met capaciteitstekorten. Als ik zie wat er nu voor 2027 al wordt uitgetrokken om de politie te versterken, denk ik: dat zijn volgens mij maatregelen die bijdragen aan het vergroten van de nationale veiligheid. Dat is het tweede punt.
Het derde punt gaat over de rol van drugs. Ik zeg tegen u: ik ben maar een eenvoudig bestuursrechtjurist. Ik hou me niet dagelijks bezig met de vraag welke rol drugscriminaliteit in ons land speelt. Ik weet nog wel — dat vind ik als antwoord misschien passend, maar ik weet niet of de heer Nicolaï daar genoegen mee neemt — dat oud-minister Grapperhaus ook vaak een beroep deed op gebruikers van drugs. Los van de vraag hoe het nou precies zit en wat de politie ervan vindt: hoe minder wij met z'n allen … Nou, wij met z'n allen? Ik geloof dat het aantal drugsgebruikers hier in de zaal nog wel meevalt, maar dat zeg ik even op de gok. Als wij in ons land minder drugs gebruiken, gaat de problematiek natuurlijk ook naar beneden, zowel qua criminaliteit als qua gezondheid. Dat is het antwoord waarmee ik in eerste termijn zou willen volstaan.
De heer Nicolaï (PvdD):
Nou, mijn vraag was de volgende, en daar gaf de heer Doornhof geen antwoord op. Denkt de heer Doornhof dat, wanneer het allemaal goed gesteld is met de grensbewaking, dan ook de drugsproblematiek en de drugscriminaliteit worden opgelost? Dat leek een beetje zo. De suggestie is een beetje dat het illegaal binnenkomen van vreemdelingen iets te maken zou hebben met de internationale drugscriminaliteit. Die suggestie begrijp ik niet.
De heer Doornhof (CDA):
Ik heb maar twintig minuten spreektijd; tenminste, daarvoor heb ik me ingeschreven. Ik had natuurlijk een hele lijst van dingen — ik heb net een voorbeeld genoemd — die het kabinet voornemens is te doen om criminaliteit in het algemeen te bestrijden, die kansrijk zijn, om het zo maar even te zeggen. Ik heb zelf de nadruk willen leggen, los van alle andere dingen die je moet doen, waaronder onszelf wat beheersen, zoals ik zei, op het verkleinen van de criminaliteit. Als je meer zicht hebt op wie Nederland binnenkomt, is dat een partje dat kan bijdragen aan het verkleinen van die criminaliteit. Zo moet u dat zien, zeg ik tegen collega Nicolaï.
De voorzitter:
Tot slot, de heer Nicolaï.
De heer Nicolaï (PvdD):
Kan de heer Doornhof, als hij dat zegt, dan aantonen dat dat partje te maken heeft met datgene waarover hij begon, de internationale drugscriminaliteit, die in feite onze hele samenleving ondermijnt?
De heer Doornhof (CDA):
Ik had het ook over mensenhandel. Het gaat mij erom dat er altijd wat te weinig waardering wordt gegeven — misschien mag ik het zo zeggen — aan de Koninklijke Marechaussee, die met gerichte acties misdaad kan tegengaan en illegaal verblijf in Nederland kan tegengaan. Daarvoor was mijn betoog bedoeld, zonder te zeggen dat er niet heel veel meer dingen mogelijk en nodig zijn om internationale criminaliteit te verminderen.
De heer Janssen i (SP):
Het blijft toch een beetje hangen, nu de heer Doornhof het heeft over gerichte marechausseeacties. Begreep ik nou uit het eerste gedeelte van zijn betoog dat hij namens het CDA pleit voor een invoering van 100%-grenscontroles voor lucht, weg, spoor en water? Is dat wat de heer Doornhof hier namens het CDA vraagt?
De heer Doornhof (CDA):
Ja ... Dat vind ik wel lastig.
De heer Janssen (SP):
Ik stel die vraag aan de heer Doornhof omdat hij zegt dat die mobiele controles onvoldoende zicht …
De heer Doornhof (CDA):
Nee, ik heb een vraag gesteld aan de regering.
De heer Janssen (SP):
We moeten zicht hebben op wie er binnenkomt, want dat verbetert alles, zegt de heer Doornhof. Dan is mijn vraag: hoe doen we dat anders dan met grenscontroles van 100%? Anders blijft het bij het toezicht dat er nu is. Daarvoor was er ook geen controle van 100%. Is het CDA voor 100% grenscontroles in Nederland?
De heer Doornhof (CDA):
Als ik op verjaardagen sta, zeg ik altijd dat wij op basis van feiten debatteren in deze Kamer en goed naar elkaar luisteren. Ik krijg hier vragen in reactie op een vraag die ik heb gesteld aan de regering: deze maand zijn de mobiele grenscontroles begonnen; hoe effectief zijn die en hebben wij op deze manier voldoende zicht op mensen die binnenkomen? Dat is de vraag die ik heb gesteld. De woorden die nu naar voren worden gebracht, herken ik helemaal niet.
De heer Janssen (SP):
Tot slot. De heer Doornhof wekt met zijn toon richting de regering zelf de indruk dat hij zich afvraagt of wat we doen met die mobiele grenscontroles wel voldoende is. Daarom vraag ik of het CDA voor een volledige grenscontrole is. Dat is een afgeleide van de vraag die de heer Doornhof aan het kabinet stelt. Daarom vraag ik hoe hij op die vraag komt en wat zijn alternatief is.
De voorzitter:
Tot slot de heer Doornhof op dit punt.
De heer Doornhof (CDA):
Ik heb mijn verbazing over de vragen van collega Janssen wel laten blijken, geloof ik. Het antwoord is nee.
De voorzitter:
U vervolgt uw betoog.
De heer Doornhof (CDA):
Voorzitter. Onze oud-collega Peter Essers was hoogleraar belastingrecht aan Tilburg University. Tijdens zijn sabbatical is hij begonnen aan een onderzoek naar de geschiedenis van het Nederlandse belastingrecht in oorlogstijd. Het resultaat van zijn zoektocht is een dik boek met de titel Belast verleden. Het algemene beeld van de hoofdrolspelers van het Nederlandse belastingstelsel in de bezettingstijd is bepaald niet florissant te noemen. Uit de studie van Essers komt onmiskenbaar het belang van rechtsbeginselen naar voren: "De afschaffing van het gelijkheidsbeginsel in nazi-Duitsland heeft tot verschrikkelijke gevolgen geleid voor door nazi's als untermenschen beschouwde personen. Dit werd versterkt doordat het parlement en de rechterlijke macht volledig in dienst werden gesteld van het naziregime. De voor het functioneren van de rechtsstaat essentiële controle op de overheid door het parlement en de rechter viel daarmee weg, waardoor burgers werden beroofd van de meest elementaire rechtsbescherming."
Voorzitter. Ik maak de stap naar artikel 1 van onze Grondwet. Collega Dittrich had het hier ook al over: het recht op gelijke behandeling. Mijn fractie vindt dat er tussen deze bepaling en de werkelijkheid te veel verschil zit. In het eigen rapport van de Eerste Kamer, Gelijk recht doen, lezen we verhalen van mensen die discriminatie hebben ervaren. Uiteindelijk biedt dit rapport een uitgebreid afwegingskader om te voorkomen dat wetgeving discriminerend uitpakt. Het is belangrijk dat niet alleen wij als senaat, maar zeker ook de regering en de Tweede Kamer hier echt wat mee doen.
Dan een citaat van onze minister-president in dit huis drie weken geleden: "Wat is dat voor iets bizars dat een Nederlander zich moet verantwoorden voor het gedrag van een buitenlandse regering?" Gaat dit dan om de discussie over de proportionaliteit van de militaire acties van Israël na de verschrikkelijke 7 oktober 2023? Het is schrijnend dat die discussie gevolgen heeft voor een debat hier over de staat van de — ik benadruk — Nederlandse rechtsstaat. De minister-president had het mogelijk over wat er in de nacht van 7 op 8 november 2024 in Amsterdam is gebeurd na de wedstrijd tussen Ajax en Maccabi Tel Aviv. Groepen mannen maakten toen doelbewust jacht op mensen die zij voor Joods hielden. Volgens het Openbaar Ministerie speelden diverse chatgroepen een belangrijke rol in het organiseren en uitvoeren van de gewelddadigheden. Ik citeer: "De aanwezigheid van Israëlische supporters bood in de ogen van sommigen die geweld wilden plegen een kans wraak te nemen voor de situatie in Gaza." In het kader van de hoorzittingen ter voorbereiding op dit debat kregen we van de Nationaal Coördinator Antisemitismebestrijding mee dat Joodse Nederlanders oververtegenwoordigd zijn in de groep van slachtoffers van discriminatie. De nieuwe cijfers laten zien dat de politie in 2025 867 gevallen van antisemitisme registreerde. Joden maken minder dan 0,3% van de Nederlandse bevolking uit, maar antisemitisme vertegenwoordigt 26% van de door het OM geregistreerde discriminatiefeiten.
Al met al leven we in een land waar Joodse studenten op universiteiten worden geïntimideerd en bedreigd. Met een keppel de straat op of een mezoeza aan de deurpost is allerminst vanzelfsprekend. Ook online verspreiden antisemitische complottheorieën, bedreigingen en andere haatdragende uitingen zich in hoog tempo. Joodse kinderen groeien in Nederland op achter hoge hekken en beveiligingscamera's en met gewapende marechaussees voor hun school. Zelfs op schoolreisjes worden kinderen geconfronteerd met de Hitlergroet. In dit land kunnen kinderen dus niet onbezorgd naar school, enkel omdat ze Joods zijn. De parallel met het boek van oud-collega Essers is niet moeilijk te trekken.
Voorzitter. Jodenhaat zal door de samenleving zelf opgelost moeten worden: ouders bij de opvoeding van hun kinderen, Nederlandse burgers die zich uitspreken tegen antisemitisme. Dat neemt niet weg dat de overheid een grote verantwoordelijkheid heeft. Zij moet zorgen voor een toereikend wettelijk instrumentarium, effectieve opsporing en vervolging van strafbare feiten en voldoende middelen om Joodse instellingen te beveiligen. In dit verband juicht mijn fractie het toe dat het kabinet heeft voorzien in een veiligheidsfonds voor bescherming Joods leven. En dan zijn er de decentrale overheden, in het bijzonder burgemeesters. Zij staan dicht bij de samenleving en moeten ervoor zorgen dat Joodse inwoners zich ook daadwerkelijk veilig kunnen bewegen en zich ook veilig kunnen voelen in hun eigen gemeente. Dat vraagt om een doeltreffende inzet van de bevoegdheden op het terrein van openbare orde en veiligheid, waaronder het demonstratierecht, maar ook om zichtbaar bestuurlijk leiderschap wanneer antisemitisme de kop opsteekt.
Tot slot wijst mijn fractie ook graag op de rol van het onderwijs. Daarbij gaat het, ook in het kader van burgerschap, om het bijbrengen van respect voor anderen. Om de filosoof Verbrugge maar weer eens te citeren: "Als het aangeboden onderwijs ertoe leidt dat kinderen zich afwenden van de Nederlandse samenleving, dan vraagt dit om een correctie door de Inspectie van het Onderwijs." Binnen deze Kamer hebben we met name gesproken over de veiligheid op universiteiten en hogescholen toen de Taskforce Antisemitismebestrijding hier zijn rapport kwam toelichten. Ik heb toen ook de voorzitter, de heer Jaap Smit, de vraag voorgelegd of er, als het om demonstreren gaat, binnen universiteiten en hogescholen niet veel meer het besef moet bestaan dat het ook om een private omgeving gaat. Je zou dan het uitgangspunt kunnen hanteren dat Joodse studenten wat meer een veilige haven moet worden geboden. Dat zou wat anders zijn dan voor demonstranten de rode loper uitleggen. In zijn antwoord benadrukte de heer Smit dat deze vraag uiteindelijk aan universiteitsbestuurders is, maar hij zei wel: "Je kunt je de vraag hardop stellen of een campus de geëigende plek is om te demonstreren." Zou het kabinet wellicht kunnen reflecteren op zijn woorden? De CDA-fractie zou graag in het bijzonder horen hoe invulling wordt gegeven aan de in de Tweede Kamer aanvaarde motie-Teunissen over het faciliteren van onderwijsbestuurders in kennis over demonstratierecht.
Voorzitter.
De voorzitter:
Ik denk dat de heer Nicolaï over het vorige punt nog een vraag heeft.
De heer Doornhof (CDA):
Dit waren niet helemaal de laatste woorden, maar wel op dit punt.
De heer Nicolaï (PvdD):
Ik was al eerder naar de microfoon gelopen, maar toen ging de heer Doornhof door met ongeveer hetzelfde: Jodenhaat. Ik ben ontzettend blij met wat hij hierover naar voren brengt en dat hij zegt dat we moeten streven naar het uitbannen van antisemitisme en Jodenhaat. Ik heb zelf twee Joodse dochters, dus die hebben er alle belang bij. Daarvoor zei de heer Doornhof echter nog iets anders. Hij zei: het is toch een beetje raar dat onze minister-president zich zou moeten verantwoorden voor disproportioneel optreden van Israël? Dat dat in het kader van de rechtsstaat in Nederland allemaal aan de orde zou zijn gesteld, vond hij raar. Maar in onze Grondwet staat toch, in artikel 90, dat wij de internationale rechtsorde moeten bevorderen? Als de internationale rechtsorde geschonden wordt, dan mag je op grond van de Grondwet de regering om een reactie vragen. Hoe kijkt de heer Doornhof daartegenaan?
De heer Doornhof (CDA):
Collega Nicolaï en ik begrijpen elkaar in dit debat steeds niet helemaal goed. Het punt is nou juist dat ik de minister-president heb geciteerd daar waar hij op de plek waar u nu staat, zei: wat is het voor iets raars dat Joodse Nederlanders geconfronteerd worden met uitlatingen van mensen over het functioneren van de staat Israël? Dat heeft de minister-president hier gezegd. Dat ben ik, dat is mijn fractie, dat is het CDA volledig met de minister-president eens.
De heer Nicolaï (PvdD):
Oké, dan had ik het verkeerd begrepen. Ik dacht dat de heer Doornhof zei dat in het kader van de Nederlandse rechtsstaat vragen over al dan niet disproportioneel optreden van Israël niet aan de orde konden komen. Dank u wel.
De heer Doornhof (CDA):
Voorzitter. Ik kom bij de rechterlijke macht. De president van de rechtbank Amsterdam, de heer Bart van Meegen, liet er tijdens de deskundigenbijeenkomst geen misverstand over bestaan dat de rechtspraak zich grote zorgen maakt over de uitholling van de rechtsstaat, onder meer door harde kritiek op rechterlijke uitspraken. Naar de mening van de CDA-fractie verdient de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht echt bescherming. Dat betekent overigens niet, maar dat was ook niet de bedoeling van de president, dat rechterlijke uitspraken boven kritiek verheven zijn. Als de uitkomst van een rechterlijke uitspraak maatschappelijk onbevredigend wordt gevonden, is het uiteindelijk aan de democratisch gelegitimeerde wetgever om te bezien of de wet aanpassing behoeft. Als het probleem zijn oorsprong vindt in internationale verdragen, zeg ik ook even tegen collega Hartog, of de uitleg daarvan, dan moet het ook bespreekbaar zijn je tot die verdragen anders te gaan verhouden. Zo wierp onze oud-fractievoorzitter Ben Knapen tijdens de Algemene Politieke Beschouwingen van 2022 de vraag op of het Vluchtelingenverdrag ons niet te veel in de weg zit, "simpelweg omdat de context zo cruciaal gewijzigd is in relatie tot 50 jaar geleden". Ons christendemocratisch uitgangspunt van publieke gerechtigheid brengt ook mee dat rechtsregels er uiteindelijk zijn om recht te doen aan mensen en de samenleving en niet om zichzelf in stand te houden. Zie in dit verband ook de verklaring van de lidstaten van de Raad van Europa van 15 mei dit jaar over de toepassing van het EVRM in het licht van het migratievraagstuk, al heeft de regering tegelijkertijd laten weten dat een daadwerkelijke aanpassing van het EVRM of de totstandkoming van een aanvullend protocol niet wordt beoogd. Maar er ligt ook een verantwoordelijkheid bij de rechtspraak zelf. Die moet niet alleen onafhankelijk en onpartijdig zijn, maar ook voldoende voeling houden met de samenleving waarvoor zij rechtspreekt.
Mijn fractie vond het in dit verband interessant dat dezelfde rechtbankpresident Van Meegen, samen met de Amsterdamse hoofdofficier van justitie en de Amsterdamse deken van de orde van advocaten, een opiniestuk in De Telegraaf schreef. Kort daarvoor waren de persoonsgegevens van een Amsterdamse rechter en zijn partner op social media verspreid. De rechter had geoordeeld dat drie omstreden islamitische predikers niet op de aangevoerde gronden de toegang tot Nederland kon worden geweigerd. In dat opiniestuk wordt enerzijds terecht gesteld dat het vertrouwen in de instituties wordt geschaad. Anderzijds wordt naar voren gebracht dat de Amsterdamse togadragers op hun beurt in gesprek willen met de burgers van de stad, en dan in het bijzonder jongeren. Ik citeer: "Wij willen met name jongeren betrekken bij dat gesprek en willen daarom een jongerenraad oprichten, (…) ook om te horen waaraan jonge mensen behoefte hebben als het om recht en rechtvaardigheid, zekerheid en vrijheid gaat." Los van de aankondiging van dit initiatief geldt dat de rechtspraak bij de selectie van rechters sinds enige jaren mensen van buiten de rechterlijke macht betrekt.
Voorzitter. Mijn fractie vraagt de regering hoe zij deze initiatieven beoordeelt, uiteraard met volledige eerbiediging van de rechterlijke onafhankelijkheid. Uiteindelijk gaat het erom dat de rechtspraak voldoende voeling blijft houden met de samenleving en ook in haar samenstelling recht doet aan de pluriformiteit daarvan.
Voorzitter. Ik kom bij het laatste onderwerp en dat is onze eigen rol. Collega Veldhoen citeerde al uit het staatscommissierapport. Politici en bestuurders zijn de blikvangers van de rechtstaat, van wie rechtsstatelijk leiderschap — daar ging ook het betoog van collega Veldhoen over — verwacht mag worden. Er vond net ook een heel interessant debat plaats; Van Rooijen deed daaraan mee, Veldhoen, Dittrich en Nicolaï. Dat ging over de vraag: hoe kunnen wij nou hier zo veel mogelijk voorkomen dat we onrechtmatige wetgeving aannemen? Er zijn voorbeelden genoemd, door collega Veldhoen en door mij, van processen, wetgevingstrajecten waarin je ziet dat het toch niet helemaal goed gaat en wij ook in onze rol tekortschieten. De motie die ik met collega Schalk heb voorbereid, ziet erop dat we zouden moeten kijken naar de instelling van een tijdelijke commissie, waarvoor ik steun vraag, om te bekijken welke maatregelen er zijn te nemen om onze juridische functie te vergroten. Is het misschien slim als ik de motie voorlees en daarmee afsluit, mevrouw de voorzitter?
De voorzitter:
Nee. Dat kunt u in de tweede termijn doen. Dat is ook gebruikelijk. Om een motie te kunnen indienen in de eerste termijn, moet de Kamer verlof geven. Ik denk niet dat het nodig is.
De heer Doornhof (CDA):
Dan doe ik dat gewoon in de tweede termijn. Dank voor uw toelichting. Ik ben er klaar mee.
De voorzitter:
Dat klonk wat serieuzer, maar dank u wel. Dan geef ik nu graag het woord aan de heer Walenkamp van de Fractie-Walenkamp.